Eerst de kinderen wassen, dan fondsenwerven
Inmiddels zit het avontuur in Suriname er voor mij en mijn gezin weer op. We zijn eind vorige week met een bomvolle 747 van KLM weer terug gekomen in het koude Nederland. Na twee maanden lang 30C en vooral buiten leven is het behoorlijk omschakelen. Mijn dochtertje van vier gaat sinds we thuis zijn gekomen nergens heen zonder warme kruik tegen zich aan gedrukt.
Weliswaar ben ik dan weer in Nederland, maar de Werkgroep Inkomstenwerving die ik in Suriname heb opgezet samen met de lokale consultant Bryan Rambharos is pas net begonnen. Na de eerste vier introductiebijeenkomsten die Bryan en ik zelf hebben verzorgd, gaan de 21 deelnemende NGO's nu verder aan de slag met het verbeteren van hun persoonlijke vaardigheden. Zes gastdocenten zullen aandacht besteden aan onderwerpen als presenteren voor groepen, wervend schrijven, verkoopvaardigheden en netwerken. Tegelijkertijd beginnen de organisaties nu ook met het opstellen van een inkomstenplan voor hun eigen organisatie. Op afstand zal ik daarbij meelezen en aanwijzingen geven. In januari 2013 ga ik naar Suriname terug voor een of twee weken om de Werkgroep Inkomstenwerving af te ronden en hopelijk aan iedereen een certificaat uit te reiken.
Het is erg interessant geweest om twee maanden lang vanuit een heel andere context naar het vak fondsenwerving te kijken. Uitgangspunten die in Nederland zo vanzelfsprekend zijn binnen ons vak, zijn daar volkomen nieuw of worden in twijfel getrokken. Het dwingt je als professional dus om weer heel goed na te denken, waarom je zaken op een bepaalde manier aanpakt. Uiteindelijk blijven de belangrijke zaken bij het werven van inkomsten ook in een land als Suriname overeind. Het begint allemaal toch echt met een aantrekkelijke, heldere en urgente case for support. We hebben veel met de organisaties nagedacht over welk product ze nu eigenlijk hebben en waarin ze zich onderscheiden van andere organisaties. Dat is best lastig als je daar nog nooit over hebt hoeven nadenken, omdat je toch altijd wel je geld van Nederlandse NGO's kreeg, bijvoorbeeld zuiver en alleen omdat je actief was in een bepaalde regio. De organisaties hadden vaak niet zozeer hun eigen specialiteit, maar draaiden het muziekje dat de geldschieters wilden horen. Was dat micro krediet, dan deden ze allemaal micro-krediet projecten, maar als de Nederlandse donoren graag meer met gender projecten wilden doen, dan schreven ze een projectvoorstel voor het ondersteunen van vrouwen. Ze zullen nu veel meer hun eigen identiteit moeten vormen, zodat ze herkenbaar worden voor de nieuwe geldschieters.
De grootste fondsenwervende uitdaging gaat voor de Surinaamse NGO's misschien nog wel zijn, dat ze moeten gaan bouwen aan een sterke organisatie van staf, bestuur en andere betrokkenen, die durven te investeren in lange termijn doelstellingen. Fondsenwerven is een proces van lange adem en volhouden. Dat zijn de organisaties niet gewend. Nog te vaak lopen ze achter het snelle geld aan. Dat snelle geld was tot nu toe vooral subsidiegeld vanuit Nederland, maar die inkomstenstroom zal in 2013 en 2014 snel opdrogen. Hopelijk komt deze Werkgroep Inkomstenwerving vroeg genoeg voor ze en zien ze dat ze echt zelf aan de bak moeten.
Tenslotte nog een anekdote, die me aan het denken heeft gezet. Bij de vierde en laatste introductiebijeenkomst waren de twee deelneemsters van Stichting Betheljada niet aanwezig. Deze stichting beheert een tehuis voor meervoudig gehandicapte kinderen in Paramaribo. De twee stafleden van Betheljada die aan de Werkgroep deelnemen, waren de eerste drie bijeenkomsten heel erg betrokken en enthousiast geweest. Ik vroeg me dus echt af waarom ze de vierde bijeenkomst niet waren gekomen. De volgende dag stuurden ze een mail met veel excuses. Ze konden niet aanwezig zijn, omdat er twee collega's ziek waren en daarom moesten zij invallen om de kinderen in het tehuis te wassen en aan te kleden. Toen ze daar mee klaar waren, was het te laat om nog naar de bijeenkomst te komen. Ze vonden het heel vervelend en voelden zich schuldig. Natuurlijk stuurden we ze een bericht terug, dat we begrip hadden voor de situatie. Later in het vliegtuig zat ik nog eens na te denken over het voorval. Ik denk dat die twee dames twee heel erg goede fondsenwervers kunnen worden. Niet alleen omdat ze de goede skills hebben, maar vooral omdat ze nog zelf op de werkvloer actief zijn. Welke fondsenwerver kan dat in Nederland nou zeggen: "Beste donateur, sorry dat ik u vanochtend niet gelijk kon terugbellen, ik moest namelijk eerst nog een paar kinderen van het tehuis wassen en aankleden. Maar ik zou heel graag binnenkort met u praten over hoe u onze stichting kunt steunen. Kunt u bij ons langskomen? Dan stel ik u gelijk voor aan de kinderen." Volgens mij ben je dan toch wel de meest geloofwaardige fondsenwerver ooit!
Jij hebt geld en ik heb het nodig!
Via de Nederlandse nieuwssites heb ik kunnen zien dat de discussie rond de aangepaste amnestiewet ook in Nederland de gemoederen bezig houdt. Hier in Suriname wordt in de media en op straat al een maand lang haast over niets anders gesproken. Inmiddels heeft de Nationale Assemblee (het Surinaamse parlement) de uitbreiding op de bestaande amnestiewet met een ruime meerderheid aangenomen, waarmee de coalitie wil voorkomen dat president Desi Bouterse verder wordt vervolgd voor zijn rol bij de Decembermoorden van 1982. Maar of dat ook echt gaat lukken, is me nog niet duidelijk, want binnenkort worden waarschijnlijk toch de strafeisen bekend gemaakt in het strafproces. Bouterse is daarbij de hoofdverdachte van de 15 moorden.
Wat ik wel zie, is dat de zaak de Surinamers enorm polariseert. Er zijn veel tegenstanders van de nieuwe amnestiewet, vooral onder de intellectuele bovenlaag. Maar er zijn hier ook enorm veel aanhangers van Bouta, zoals zijn aanhangers Bouterse liefkozend noemen. Vooral de onderlaag van de bevolking en veel jongeren zien in hem de sterke en charismatische leider, die ze zo graag willen voor hun land. Dat deze man veroordeeld is voor drugshandel en verdacht wordt van moord, hoort volgens hen allemaal bij het complot dat vooral vanuit Nederland tegen Boutserse wordt gesmeed. Ja, het is natuurlijk een boef die Bouterse, maar wel een boef die feilloos aanvoelt hoe hij het volk kan mobiliseren.
Ondertussen gaan mijn werkzaamheden hier natuurlijk wel gewoon door. De tweede trainingsdag van onze Werkgroep Inkomstenverwerving is inmiddels achter de rug. We hebben vooral aandacht besteed aan hoe je een sterk en urgent wervend verhaal maakt voor je organisatie, in fondsenwervingjargon je 'case for support'. Veel van de deelnemende organisaties hebben dat nog maar weinig hoeven doen. Decennialang waren het de buitenlandse donoren die juist bij hen aanklopten. Op verzoek schreven ze dan een inhoudelijk projectvoorstel, dat dan vaak vrij gemakkelijk geaccordeerd werd. Daarmee was de organisatie dan weer een paar jaar financieel gezien onder de pannen (of onder de markt, zoals ze hier in Suriname zeggen). Met de terugtrekkende internationale NGO's is dat voorbij. Daarom leren we de lokale organisaties nu hoe ze zichzelf en hun projecten op een aantrekkelijke manier onder de aandacht kunnen brengen van mogelijke geldschieters, zoals particulieren, bedrijven en fondsen.
Verder hebben we ook aandacht besteed aan dat het belangrijk is om je in te kunnen leven in de situatie van de gever. Dus niet alleen uitgaan van je eigen situatie, maar ook nadenken over wat de gever drijft. Waar is de gever naar op zoek? Welk argument gebruik je om een afspraak te krijgen met de gever? Volgens een deelneemster was het allemaal niet zo ingewikkeld. Naar haar idee, moet je er niet omheen draaien en gewoon tegen de prospect donor zeggen: 'Luister, ik heb geld nodig en jij hebt veel geld. Kun je wat aan mij geven?'. Iedereen moest lachen om zoveel eerlijkheid, maar gelukkig zagen de meesten wel in dat het toch beter is om eerst wat meer te werken aan een goede vertouwensrelatie met je toekomstige gever voor je de geldvraag stelt.
Tussen de bedrijven door waren vorige week mijn vader en schoonvader ook op bezoek in Suriname. Samen met hen hebben we een jungle trip in het binnenland gemaakt. Eerst drie uur rijden over de nieuwe Afobakaweg en toen nog een stuk varen over de Suriname Rivier op een korjaal (lange, smalle boot van uitgeholde boomstam). Maar we werden beloond met een prachtig verblijf op een werkelijk fabelachtig eiland, midden in de jungle. De kinderen maakten gelijk lokale vriendjes alsof ze er al jaren woonden. Zwemmen konden we in de rivier, maar liever niet als je een wondje had, want dan kon je last krijgen van piranha's. In de avond ook nog krokodillen wezen spotten. Als je met zaklampen in de oevers schijnt, herken je ze aan hun ogen, die weerspiegelen in het licht. Na al dat gegriezel ook wel weer fijn om weer in ons gerieflijke huis in Paramaribo te zijn.
Ondertussen is het een fijn gevoel dat mijn collega's van Nassau in Amsterdam alles goed onder controle hebben. Het belooft wel een drukke lente te worden met veel nieuwe klanten. De komende drie weken dus nog maar echt even genieten van het Surinaamse tempo. No Spang!
Wat ik wel zie, is dat de zaak de Surinamers enorm polariseert. Er zijn veel tegenstanders van de nieuwe amnestiewet, vooral onder de intellectuele bovenlaag. Maar er zijn hier ook enorm veel aanhangers van Bouta, zoals zijn aanhangers Bouterse liefkozend noemen. Vooral de onderlaag van de bevolking en veel jongeren zien in hem de sterke en charismatische leider, die ze zo graag willen voor hun land. Dat deze man veroordeeld is voor drugshandel en verdacht wordt van moord, hoort volgens hen allemaal bij het complot dat vooral vanuit Nederland tegen Boutserse wordt gesmeed. Ja, het is natuurlijk een boef die Bouterse, maar wel een boef die feilloos aanvoelt hoe hij het volk kan mobiliseren.
Ondertussen gaan mijn werkzaamheden hier natuurlijk wel gewoon door. De tweede trainingsdag van onze Werkgroep Inkomstenverwerving is inmiddels achter de rug. We hebben vooral aandacht besteed aan hoe je een sterk en urgent wervend verhaal maakt voor je organisatie, in fondsenwervingjargon je 'case for support'. Veel van de deelnemende organisaties hebben dat nog maar weinig hoeven doen. Decennialang waren het de buitenlandse donoren die juist bij hen aanklopten. Op verzoek schreven ze dan een inhoudelijk projectvoorstel, dat dan vaak vrij gemakkelijk geaccordeerd werd. Daarmee was de organisatie dan weer een paar jaar financieel gezien onder de pannen (of onder de markt, zoals ze hier in Suriname zeggen). Met de terugtrekkende internationale NGO's is dat voorbij. Daarom leren we de lokale organisaties nu hoe ze zichzelf en hun projecten op een aantrekkelijke manier onder de aandacht kunnen brengen van mogelijke geldschieters, zoals particulieren, bedrijven en fondsen.
Verder hebben we ook aandacht besteed aan dat het belangrijk is om je in te kunnen leven in de situatie van de gever. Dus niet alleen uitgaan van je eigen situatie, maar ook nadenken over wat de gever drijft. Waar is de gever naar op zoek? Welk argument gebruik je om een afspraak te krijgen met de gever? Volgens een deelneemster was het allemaal niet zo ingewikkeld. Naar haar idee, moet je er niet omheen draaien en gewoon tegen de prospect donor zeggen: 'Luister, ik heb geld nodig en jij hebt veel geld. Kun je wat aan mij geven?'. Iedereen moest lachen om zoveel eerlijkheid, maar gelukkig zagen de meesten wel in dat het toch beter is om eerst wat meer te werken aan een goede vertouwensrelatie met je toekomstige gever voor je de geldvraag stelt.
Tussen de bedrijven door waren vorige week mijn vader en schoonvader ook op bezoek in Suriname. Samen met hen hebben we een jungle trip in het binnenland gemaakt. Eerst drie uur rijden over de nieuwe Afobakaweg en toen nog een stuk varen over de Suriname Rivier op een korjaal (lange, smalle boot van uitgeholde boomstam). Maar we werden beloond met een prachtig verblijf op een werkelijk fabelachtig eiland, midden in de jungle. De kinderen maakten gelijk lokale vriendjes alsof ze er al jaren woonden. Zwemmen konden we in de rivier, maar liever niet als je een wondje had, want dan kon je last krijgen van piranha's. In de avond ook nog krokodillen wezen spotten. Als je met zaklampen in de oevers schijnt, herken je ze aan hun ogen, die weerspiegelen in het licht. Na al dat gegriezel ook wel weer fijn om weer in ons gerieflijke huis in Paramaribo te zijn.
Ondertussen is het een fijn gevoel dat mijn collega's van Nassau in Amsterdam alles goed onder controle hebben. Het belooft wel een drukke lente te worden met veel nieuwe klanten. De komende drie weken dus nog maar echt even genieten van het Surinaamse tempo. No Spang!
Aan de slag in Paramaribo
Daar zaten ze dan vorige week in trainingscentrum Asewa ‘Otono in Paramaribo: zesendertig verwachtingsvolle deelnemers aan de Werkgroep Inkomstenverwerving. Na alle voorbereiding van de afgelopen maanden wel fijn, dat we nu eindelijk van start konden gaan met de trainingen.
De deelnemers zijn afkomstig van eenentwintig Surinaamse NGO’s. De omvang en de mate van professionaliteit van de deelnemers verschilt onderling enorm. De grootste instelling is de Pater Ahlbrink Stichting (PAS), een Rooms-Katholieke organisatie die al ruim 45 jaar actief is in Suriname en zo’n twintig vaste medewerkers heeft. Maar er zijn ook kleine en heel jonge Regionale Organisaties met maar twee werknemers, die meedoen.
De meeste organisaties houden zich bezig met ontwikkelingswerk in het binnenland van Suriname, zeg maar het regenwoud, waar vooral indianen en marrons wonen. De marrons zijn afstammelingen van slaven die een paar eeuwen geleden weg zijn gelopen van de plantages en zich hebben gevestigd aan de grote rivieren, ver in het binnenland, buiten bereik van de plantage-eigenaren. Daar wonen ze nog steeds in kleine dorpjes van een paar honderd mensen. De voorzieningen zijn meestal minimaal. Veel van de deelnemende organisaties richten zich op het verbeteren van onderwijs- en zorgfaciliteiten in die marron-dorpen.
Van alle deelnemers is er om precies te zijn maar één iemand met meer dan basale kennis van fondsenwervende technieken. Geen van hen is volledig aan de slag als fondsenwerver. De deelnemers zijn directeur, bestuurslid, beleidsmedewerker, sociaal werker, opbouwwerker, etc. Een heel divers gezelschap dus, waarvan de meesten zich nog maar weinig met de inkomstenkant, maar vooral met de uitgavenkant van hun organisatie hebben bezig gehouden. De inkomsten komen tot nu toe vooral van Nederlandse donoren, zoals Cordaid, Kinderpostzegels en het Zeister Zendingsgenootschap (ZZg). Maar ja, de realiteit is dat Cordaid zich in 2010 al terugtrok uit Suriname, Kinderpostzegels dat in 2013 gaat doen en dat het MSF II programma dat ZZg uitvoert, eindigt in 2014. Kortom, de bestaande geldbronnen drogen voor de Surinaamse NGO’s op en die boodschap is wel aangekomen. Want de deelnemers aan de Werkgroep Inkomstenverwerving geven allemaal aan dat ze graag op zoek willen naar nieuwe inkomsten.
Wat me opvalt na de eerste bijeenkomst, is dat de meeste organisaties vooral kijken naar social entrepreneurship, ofwel het starten van eigen ‘bedrijfjes’, als nieuwe bron van inkomsten. Ze denken vooral aan het in- en verkopen van handicraft artikelen, het verlenen van diensten als het geven van trainingen en het ontwikkelen van lesmodules. De bij ons in Nederland meer traditionele vormen van fondsenwerving, zoals Direct Mail, telemarketing en nalatenschappenwerving kunnen zich hier nog niet verheugen in veel aandacht. Vaak zijn de technische vereisten die deze technieken vragen, hier ook nog niet aanwezig.
De samenwerking met mijn Surinaamse collega-trainer Bryan Rambharos gaat heel soepel. We vullen elkaar goed aan en door zijn diepgaande kennis van de lokale NGO wereld heb ik snel inzicht kunnen krijgen in hoe de hazen hier lopen. Zijn collega Joanne verzorgt de ondersteunende diensten en zorgt dat al het materiaal beschikbaar is en dat de deelnemers aan de Werkgroep op de hoogte zijn van de planning en de lesstof.
Ondertussen vermaken we ons met het gezin ook heel goed. Het huis dat we voor twee maanden gehuurd hebben, is ruim en in een goede en veilige buurt. Zwembad De Dolfijn is hier om de hoek en met ons tijdelijke lidmaatschap kunnen we zo vaak zwemmen als we willen. De werkdagen lopen hier van half acht tot twee uur, dus dat betekent dat je elke middag gezellige dingen kunt doen. In de weekenden maken we uitstapjes naar het district Commewijne en naar Colakreek, het recreatiepark, dat hier in Suriname wereldberoemd is. Elke maandagmiddag gaat mijn dochter van vier naar balletles toe en doet daarna thuis op het balkon in haar tutu voor wat ze allemaal geleerd heeft.
Zo dadelijk ga ik samen met mijn vrouw op bezoek bij Stichting Betheljada, waar 25 meervoudig gehandicapte kinderen wonen en 24 uurs zorg krijgen. Daarnaast komen er nog 15 kinderen voor dagopvang. Ze zijn de enige instelling van Suriname voor dergelijke opvang en ze hebben het financieel heel zwaar. Ze doen ook mee met de Werkgroep, maar ik heb het gevoel dat ze nog wel wat extra steun kunnen gebruiken, financieel, maar ook moreel.
De kinderen gaan ondertussen naar hun crèche hier toe. Ze gaan daar twee ochtenden per week spelen met hun nieuwe kameraadjes. Eigenlijk kun je daar pas echt goed zien wat een leuke smeltkroes Suriname is, met Chineze, Creoolse, Javaanse, Hindoestaanse, Nederlandse en veel ‘gemixte’ kindjes. Maar alle mensen hier voelen zich ook allemaal op en top Surinamer. De T-shirts met de afbeelding ‘I love Su’ zijn dan ook een enorme hit hier en zie je overal in het straatbeeld. Misschien kunnen wij daar nog wat van leren in Patata Kondre, aardappelland, zoals ze Nederland hier noemen.
Tan Bun en de groeten uit een warm Paramaribo.
De deelnemers zijn afkomstig van eenentwintig Surinaamse NGO’s. De omvang en de mate van professionaliteit van de deelnemers verschilt onderling enorm. De grootste instelling is de Pater Ahlbrink Stichting (PAS), een Rooms-Katholieke organisatie die al ruim 45 jaar actief is in Suriname en zo’n twintig vaste medewerkers heeft. Maar er zijn ook kleine en heel jonge Regionale Organisaties met maar twee werknemers, die meedoen.
De meeste organisaties houden zich bezig met ontwikkelingswerk in het binnenland van Suriname, zeg maar het regenwoud, waar vooral indianen en marrons wonen. De marrons zijn afstammelingen van slaven die een paar eeuwen geleden weg zijn gelopen van de plantages en zich hebben gevestigd aan de grote rivieren, ver in het binnenland, buiten bereik van de plantage-eigenaren. Daar wonen ze nog steeds in kleine dorpjes van een paar honderd mensen. De voorzieningen zijn meestal minimaal. Veel van de deelnemende organisaties richten zich op het verbeteren van onderwijs- en zorgfaciliteiten in die marron-dorpen.
Van alle deelnemers is er om precies te zijn maar één iemand met meer dan basale kennis van fondsenwervende technieken. Geen van hen is volledig aan de slag als fondsenwerver. De deelnemers zijn directeur, bestuurslid, beleidsmedewerker, sociaal werker, opbouwwerker, etc. Een heel divers gezelschap dus, waarvan de meesten zich nog maar weinig met de inkomstenkant, maar vooral met de uitgavenkant van hun organisatie hebben bezig gehouden. De inkomsten komen tot nu toe vooral van Nederlandse donoren, zoals Cordaid, Kinderpostzegels en het Zeister Zendingsgenootschap (ZZg). Maar ja, de realiteit is dat Cordaid zich in 2010 al terugtrok uit Suriname, Kinderpostzegels dat in 2013 gaat doen en dat het MSF II programma dat ZZg uitvoert, eindigt in 2014. Kortom, de bestaande geldbronnen drogen voor de Surinaamse NGO’s op en die boodschap is wel aangekomen. Want de deelnemers aan de Werkgroep Inkomstenverwerving geven allemaal aan dat ze graag op zoek willen naar nieuwe inkomsten.
Wat me opvalt na de eerste bijeenkomst, is dat de meeste organisaties vooral kijken naar social entrepreneurship, ofwel het starten van eigen ‘bedrijfjes’, als nieuwe bron van inkomsten. Ze denken vooral aan het in- en verkopen van handicraft artikelen, het verlenen van diensten als het geven van trainingen en het ontwikkelen van lesmodules. De bij ons in Nederland meer traditionele vormen van fondsenwerving, zoals Direct Mail, telemarketing en nalatenschappenwerving kunnen zich hier nog niet verheugen in veel aandacht. Vaak zijn de technische vereisten die deze technieken vragen, hier ook nog niet aanwezig.
De samenwerking met mijn Surinaamse collega-trainer Bryan Rambharos gaat heel soepel. We vullen elkaar goed aan en door zijn diepgaande kennis van de lokale NGO wereld heb ik snel inzicht kunnen krijgen in hoe de hazen hier lopen. Zijn collega Joanne verzorgt de ondersteunende diensten en zorgt dat al het materiaal beschikbaar is en dat de deelnemers aan de Werkgroep op de hoogte zijn van de planning en de lesstof.
Ondertussen vermaken we ons met het gezin ook heel goed. Het huis dat we voor twee maanden gehuurd hebben, is ruim en in een goede en veilige buurt. Zwembad De Dolfijn is hier om de hoek en met ons tijdelijke lidmaatschap kunnen we zo vaak zwemmen als we willen. De werkdagen lopen hier van half acht tot twee uur, dus dat betekent dat je elke middag gezellige dingen kunt doen. In de weekenden maken we uitstapjes naar het district Commewijne en naar Colakreek, het recreatiepark, dat hier in Suriname wereldberoemd is. Elke maandagmiddag gaat mijn dochter van vier naar balletles toe en doet daarna thuis op het balkon in haar tutu voor wat ze allemaal geleerd heeft.
Zo dadelijk ga ik samen met mijn vrouw op bezoek bij Stichting Betheljada, waar 25 meervoudig gehandicapte kinderen wonen en 24 uurs zorg krijgen. Daarnaast komen er nog 15 kinderen voor dagopvang. Ze zijn de enige instelling van Suriname voor dergelijke opvang en ze hebben het financieel heel zwaar. Ze doen ook mee met de Werkgroep, maar ik heb het gevoel dat ze nog wel wat extra steun kunnen gebruiken, financieel, maar ook moreel.
De kinderen gaan ondertussen naar hun crèche hier toe. Ze gaan daar twee ochtenden per week spelen met hun nieuwe kameraadjes. Eigenlijk kun je daar pas echt goed zien wat een leuke smeltkroes Suriname is, met Chineze, Creoolse, Javaanse, Hindoestaanse, Nederlandse en veel ‘gemixte’ kindjes. Maar alle mensen hier voelen zich ook allemaal op en top Surinamer. De T-shirts met de afbeelding ‘I love Su’ zijn dan ook een enorme hit hier en zie je overal in het straatbeeld. Misschien kunnen wij daar nog wat van leren in Patata Kondre, aardappelland, zoals ze Nederland hier noemen.
Tan Bun en de groeten uit een warm Paramaribo.
Switi Sranan, we komen er aan
Morgen vlieg ik samen met mijn gezin voor twee maanden naar het mooie Suriname toe. Ik zal daar twintig lokale NGO's gaan trainen op het gebied van fondsenwerving en andere inkomstenverwerving. We hebben er lang naar uitgekeken en behoorlijk wat voorbereiding voor gedaan. Maar nu de tassen zijn ingepakt, de visa veilig in de paspoorten zitten en de taxi voor morgenochtend besteld is, is het even tijd om terug te kijken naar de aanloop naar deze bijzondere reis.
De plannen begonnen vorig jaar april, toen ik een week in Suriname was om op vrijwillige basis de kleine, maar sympathieke Stichting Hoorzorg Binnenland Suriname te adviseren over hun inkomstenbeleid. En al snel wist ik weer waarom ik tien jaar geleden bij mijn eerste bezoek aan Suriname aan mezelf had beloofd, dat ik op een dag weer terug zou keren naar Switi Sranan Kondre (het mooie Suriname, zoals de Surinamers hun land liefkozend noemen). Er is gewoon iets met dat bijzondere land, dat wanneer je op Zanderij uit het vliegtuig stapt, gelijk als een vochtige warme deken over je heen valt.
Ik reisde samen met Piet Haarmans, een Nederlandse oud-pater, die 53 jaar geleden als missionaris naar Suriname vertrok en tien jaar geleden na zijn pensioen terug kwam in Nederland. Ik vergezelde hem op al zijn bezoekjes die hij aflegde aan oude vrienden en collega's. Zo kon het dat ik in één week tijd onder meer op de koffie ging bij een neef van Desi Bouterse (een lieve, oude meubelmaker), een bezoek bracht aan een mevrouw in verzorgingstehuis Esther voor bejaarde leprapatienten en op het besloten verjaardagpartijtje was van de bisschop van Paramaribo, Mgr. Wim de Bekker.
Maar de belangrijkste ontmoeting bleek later het bezoek aan Bryan Rambharos, accountant van beroep en nu al tien jaar actief als tussenpersoon voor Nederlandse organisaties als Cordaid, Zeister Zendingsgenootschap en Kinderpostzegels. Hij vertelde me over de grote kaalslag die hij verwachtte binnen de Surinaamse NGO wereld, nu de Nederlandse subsidiekraan dicht wordt gedraaid. Formeel is de reden dat de Nederlandse overheid de focus verlegt naar andere landen die de hulp harder nodig hebben; informeel is het bekend dat het presidentschap van Bouterse ook geen gunstige invloed heeft op de hoeveelheid steun uit Patata Kondre (Nederland). Hij vroeg mij om met hem mee te denken over mogelijkheden om de lokale, Surinaamse NGO's meer zelfstandig te maken. Om hun capaciteiten op het vlak van inkomstenverwerving te versterken.
Toen Bryan een paar weken later in Nederland was voor een bezoek aan Cordaid, nam ik hem mee uit eten en bedachten we het plan om samen een uitgebreide Werkgroep voor Inkomstenverwerving op te zetten in Suriname. Bryan heeft de contacten in de lokale NGO wereld, en ik kan vanuit Nassau de Nederlandse praktijk van fondsenwerving inbrengen, zo was het idee. En het bleef niet bij een idee. We werkten het uit in een concreet voorstel en lieten dat aan een paar potentiele deelnemers en aan enkele mogelijke geldschieters zien. De reacties waren enthousiast. Toen ZZg en Kinderpostzegels toezegden om de deelnemers (een deel van) de deelnamefee te vergoeden werd het financieel ook haalbaar om de werkgroep professioneel van de grond te krijgen.
De werkgroep zal in totaal tien maanden gaan duren. Zelf ben ik de eerste twee maanden aanwezig om het programma vorm te geven, de intake gesprekken te voeren en de eerste bijeenkomsten te begeleiden. Vrijdag hoorde ik dat zeventien organisaties zich al hebben ingeschreven met in totaal vijfendertig deelnemers. Dat hadden we echt niet durven hopen.
Ik hoefde niet erg veel moeite te doen om mijn vrouw over te halen om met me mee te gaan. Ze was zelf tien jaar geleden ook mee geweest naar Suriname en wilde dolgraag nog een keer terug. En dan nu zelfs twee maanden! Mijn dochter van vier heeft de smaak ook te pakken en roept me elke dag bij thuiskomst vrolijk toe: Fawaka, pappa? Hoe gaat het?
Vrijdag heb ik met een enorm gezellige Surinaamse borrel gedag gezegd tegen de klanten en andere relaties van Nassau. Van mijn collega's kreeg ik een twee maanden abonnement op de The Times of Surinam, dagelijks aan huis bezorgd bij onze tijdelijke woning aan de van Roosmalenstraat in Paramaribo. Ik zal aan ze denken als ik 's ochtends op mijn veranda in de zon mijn krantje lees....
De plannen begonnen vorig jaar april, toen ik een week in Suriname was om op vrijwillige basis de kleine, maar sympathieke Stichting Hoorzorg Binnenland Suriname te adviseren over hun inkomstenbeleid. En al snel wist ik weer waarom ik tien jaar geleden bij mijn eerste bezoek aan Suriname aan mezelf had beloofd, dat ik op een dag weer terug zou keren naar Switi Sranan Kondre (het mooie Suriname, zoals de Surinamers hun land liefkozend noemen). Er is gewoon iets met dat bijzondere land, dat wanneer je op Zanderij uit het vliegtuig stapt, gelijk als een vochtige warme deken over je heen valt.
Ik reisde samen met Piet Haarmans, een Nederlandse oud-pater, die 53 jaar geleden als missionaris naar Suriname vertrok en tien jaar geleden na zijn pensioen terug kwam in Nederland. Ik vergezelde hem op al zijn bezoekjes die hij aflegde aan oude vrienden en collega's. Zo kon het dat ik in één week tijd onder meer op de koffie ging bij een neef van Desi Bouterse (een lieve, oude meubelmaker), een bezoek bracht aan een mevrouw in verzorgingstehuis Esther voor bejaarde leprapatienten en op het besloten verjaardagpartijtje was van de bisschop van Paramaribo, Mgr. Wim de Bekker.
Maar de belangrijkste ontmoeting bleek later het bezoek aan Bryan Rambharos, accountant van beroep en nu al tien jaar actief als tussenpersoon voor Nederlandse organisaties als Cordaid, Zeister Zendingsgenootschap en Kinderpostzegels. Hij vertelde me over de grote kaalslag die hij verwachtte binnen de Surinaamse NGO wereld, nu de Nederlandse subsidiekraan dicht wordt gedraaid. Formeel is de reden dat de Nederlandse overheid de focus verlegt naar andere landen die de hulp harder nodig hebben; informeel is het bekend dat het presidentschap van Bouterse ook geen gunstige invloed heeft op de hoeveelheid steun uit Patata Kondre (Nederland). Hij vroeg mij om met hem mee te denken over mogelijkheden om de lokale, Surinaamse NGO's meer zelfstandig te maken. Om hun capaciteiten op het vlak van inkomstenverwerving te versterken.
Toen Bryan een paar weken later in Nederland was voor een bezoek aan Cordaid, nam ik hem mee uit eten en bedachten we het plan om samen een uitgebreide Werkgroep voor Inkomstenverwerving op te zetten in Suriname. Bryan heeft de contacten in de lokale NGO wereld, en ik kan vanuit Nassau de Nederlandse praktijk van fondsenwerving inbrengen, zo was het idee. En het bleef niet bij een idee. We werkten het uit in een concreet voorstel en lieten dat aan een paar potentiele deelnemers en aan enkele mogelijke geldschieters zien. De reacties waren enthousiast. Toen ZZg en Kinderpostzegels toezegden om de deelnemers (een deel van) de deelnamefee te vergoeden werd het financieel ook haalbaar om de werkgroep professioneel van de grond te krijgen.
De werkgroep zal in totaal tien maanden gaan duren. Zelf ben ik de eerste twee maanden aanwezig om het programma vorm te geven, de intake gesprekken te voeren en de eerste bijeenkomsten te begeleiden. Vrijdag hoorde ik dat zeventien organisaties zich al hebben ingeschreven met in totaal vijfendertig deelnemers. Dat hadden we echt niet durven hopen.
Ik hoefde niet erg veel moeite te doen om mijn vrouw over te halen om met me mee te gaan. Ze was zelf tien jaar geleden ook mee geweest naar Suriname en wilde dolgraag nog een keer terug. En dan nu zelfs twee maanden! Mijn dochter van vier heeft de smaak ook te pakken en roept me elke dag bij thuiskomst vrolijk toe: Fawaka, pappa? Hoe gaat het?
Vrijdag heb ik met een enorm gezellige Surinaamse borrel gedag gezegd tegen de klanten en andere relaties van Nassau. Van mijn collega's kreeg ik een twee maanden abonnement op de The Times of Surinam, dagelijks aan huis bezorgd bij onze tijdelijke woning aan de van Roosmalenstraat in Paramaribo. Ik zal aan ze denken als ik 's ochtends op mijn veranda in de zon mijn krantje lees....
Het kaf van het koren...
Tal van culturele instellingen zijn ooit tot stand gekomen met behulp van private middelen. Pas sinds de jaren zestig worden veel instellingen uit Haagse of gemeentemiddelen betaald. Daarmee verdween heel langzaam, jaar na jaar, het particuliere financiële draagvlak.
Daarvoor in de plaats kwam de verantwoording naar de overheid, want "wie betaalt, bepaalt". Veel cultuurinstellingen hebben bij de uitbouw van de verzorgingsstaat de overheid als broodheer gekregen. Onder twee condities, namelijk professionaliteit en administratieve verantwoording. Dit heeft geleid tot een professioneel-bureaucratisch oriëntatie van veel instellingen: de overheid wil professionele diensten en heel veel rapportages over die diensten.
Maar er is nu definitief een kentering ingezet. Aankloppen bij Den Haag of bij de gemeente zal steeds vaker tot weinig resultaat leiden en ook de politieke lobbies zullen steeds minder succesvol zijn omdat de overheid nu eenmaal minder te verdelen zal hebben.
Cultuurinstellingen zullen de komende jaren succesvol overleven als zij hun organisatie weten om te buigen tot een meer professioneel-maatschappelijke. Meer koersen op het eigen lokale, regionale draagvlak van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Dit betekent een fundamenteel ingrijpen in de structuur en een drastische verandering van de cultuur van de instellingen.
Nederland zal terugkeren naar een periode waarin overheidsfinanciering voor veel cultuurinstellingen "aanvullend", subsidiair was. Instellingen zullen verdienmodellen ontwikkelen waar sponsoring, merchandising, horeca en andere vormen van de verkoop van de kernkwaliteiten van de instelling een dominante rol spelen. Ook zullen filantropische inkomsten een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de financiering van de culturele/artistieke prestatie van instellingen.
Dat klinkt allemaal veelbelovend, maar zover is het nog lang niet. Veel non-profit instellingen in Nederland krijgen de komende vijf tot tien jaar vooral een lastige tijd, waarin ze te maken krijgen met krapte en sterke verschuivingen in hun financiële situatie. Cultuurinstellingen vormen hierop geen uitzondering.
Veel cultuurinstellingen zijn er nog niet voor toegerust om toegang te vinden tot het private geld. Daarvoor is namelijk wel een grote, dieperliggende verandering nodig die gevolgen zal hebben - en moet hebben - voor de hele organisatie, voor het bestuur en het beleid van de instellingen. Men kan niet langer oude wegen bewandelen; men kan in de nieuwe situatie die gaat komen niet overleven door alleen het aanstellen van een of meerdere fondsenwervers of het instellen van een dienst "fondsenwerving".
Wat zich voltrekt is een fundamentele heroriëntatie op het draagvlak van de Nederlandse cultuursector. Voor wie heb ik bestaansrecht? Welke "stakeholders" voelen zich betrokken bij mijn diensten? Wie wil voor mijn organisatie zijn hand in het vuur steken en vrijwillig de portemonnee trekken? Verandering van de financieringsbronnen is daarmee tegelijkertijd verandering van de legitimatiegrond en dit vraagt om verandering van de organisatiestructuur en cultuur van de instellingen.
Er zijn gelukkig veel organisaties die deze omslag begrijpen en de uitdaging uitgaan (bijvoorbeelde samen met Nassau). Maar ik zie ook organisaties die blijven hangen in het verleden en over niet al te lange tijd het loodje zullen leggen. Jammer? Ik weet het niet. Misschien wordt het kaf zo wel van het koren gescheiden. Survival of the fittest...
(deze blog is eerder in iets andere vorm verschenen als pamflet van Theo Schuyt en Ramses Man)
Daarvoor in de plaats kwam de verantwoording naar de overheid, want "wie betaalt, bepaalt". Veel cultuurinstellingen hebben bij de uitbouw van de verzorgingsstaat de overheid als broodheer gekregen. Onder twee condities, namelijk professionaliteit en administratieve verantwoording. Dit heeft geleid tot een professioneel-bureaucratisch oriëntatie van veel instellingen: de overheid wil professionele diensten en heel veel rapportages over die diensten.
Maar er is nu definitief een kentering ingezet. Aankloppen bij Den Haag of bij de gemeente zal steeds vaker tot weinig resultaat leiden en ook de politieke lobbies zullen steeds minder succesvol zijn omdat de overheid nu eenmaal minder te verdelen zal hebben.
Cultuurinstellingen zullen de komende jaren succesvol overleven als zij hun organisatie weten om te buigen tot een meer professioneel-maatschappelijke. Meer koersen op het eigen lokale, regionale draagvlak van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Dit betekent een fundamenteel ingrijpen in de structuur en een drastische verandering van de cultuur van de instellingen.
Nederland zal terugkeren naar een periode waarin overheidsfinanciering voor veel cultuurinstellingen "aanvullend", subsidiair was. Instellingen zullen verdienmodellen ontwikkelen waar sponsoring, merchandising, horeca en andere vormen van de verkoop van de kernkwaliteiten van de instelling een dominante rol spelen. Ook zullen filantropische inkomsten een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de financiering van de culturele/artistieke prestatie van instellingen.
Dat klinkt allemaal veelbelovend, maar zover is het nog lang niet. Veel non-profit instellingen in Nederland krijgen de komende vijf tot tien jaar vooral een lastige tijd, waarin ze te maken krijgen met krapte en sterke verschuivingen in hun financiële situatie. Cultuurinstellingen vormen hierop geen uitzondering.
Veel cultuurinstellingen zijn er nog niet voor toegerust om toegang te vinden tot het private geld. Daarvoor is namelijk wel een grote, dieperliggende verandering nodig die gevolgen zal hebben - en moet hebben - voor de hele organisatie, voor het bestuur en het beleid van de instellingen. Men kan niet langer oude wegen bewandelen; men kan in de nieuwe situatie die gaat komen niet overleven door alleen het aanstellen van een of meerdere fondsenwervers of het instellen van een dienst "fondsenwerving".
Wat zich voltrekt is een fundamentele heroriëntatie op het draagvlak van de Nederlandse cultuursector. Voor wie heb ik bestaansrecht? Welke "stakeholders" voelen zich betrokken bij mijn diensten? Wie wil voor mijn organisatie zijn hand in het vuur steken en vrijwillig de portemonnee trekken? Verandering van de financieringsbronnen is daarmee tegelijkertijd verandering van de legitimatiegrond en dit vraagt om verandering van de organisatiestructuur en cultuur van de instellingen.
Er zijn gelukkig veel organisaties die deze omslag begrijpen en de uitdaging uitgaan (bijvoorbeelde samen met Nassau). Maar ik zie ook organisaties die blijven hangen in het verleden en over niet al te lange tijd het loodje zullen leggen. Jammer? Ik weet het niet. Misschien wordt het kaf zo wel van het koren gescheiden. Survival of the fittest...
(deze blog is eerder in iets andere vorm verschenen als pamflet van Theo Schuyt en Ramses Man)
Willen alle oude, witte mannen het podium verlaten, aub?
Het belang van (meer) vrouwen, jongeren en mensen uit minderheidsgroeperingen op belangrijke posities is in het bedrijfsleven en bij de overheid (bijvoorbeeld bij de politie en centrale overheid) al jarenlang een veelbesproken thema. Toch lijkt dit onderwerp tot nu toe volledig aan onze sector voorbij te gaan.
Geen aandacht tijdens congressen, geen ‘voortrekker’ die zich hard maakt voor het stimuleren van meer topvrouwen, jongeren en ‘minderheden’ bij non-profits, en als we bij alle sectorevents rondkijken, dan zien we heel veel blanke, babyboomende mannen. Zelfs bij het opstellen van de ‘Agenda Filantropie 2010’ – toch in het leven geroepen om aan enkele branchebrede thema’s gecoördineerd meer aandacht te besteden en hierop zichtbare vooruitgang te boeken - is het issue van diversiteit feitelijk over het hoofd gezien.
Met het themanummer over “Topvrouwen in de filantropie: vrouwen komen van Venus, filantropie van Mars” in de komende FM is een fraaie opmaat gecreeerd voor een sectorbrede discussie over diversiteit. Dit laatste dus breder te zien dan alleen het gender-issue: ik zou graag ook willen kijken naar bijvoorbeeld meer jongeren en allochtonen op belangrijke posities. Niet leeftijd maar ‘talent’ als uitgangspunt voor leiderschap in de sector. “Leiderschap” is derhalve een onderwerp dat direct samenhangt met “Diversiteit”: het gaat in de filantropie (zoals in zoveel andere sectoren) immers ook om opvolging van het huidige bestuursestablishment en om continuïteit van het filantropische werk.
“Diversiteit” slaat niet alleen op HRM-gerelateerde onderwerpen, maar ook op filantropisch werk zelf: niet alleen bij het fondsenwervingsbeleid (goede doelen en hybride instellingen), maar ook bij het bestedingsbeleid (goede doelen en vermogensfondsen) zou er meer aandacht moeten komen voor voldoende spreiding en bereik over diverse groepen. Bij ontwikkelingssamenwerking speelt dat onderwerp wel al langer (Gender and Minority-issues), maar in sectoren als cultuur en natuurbescherming is er veel minder nadruk op bereik van bijvoorbeeld allochtonen.
Juist in een zo maatschappelijk geëngageerde omgeving als de filantropische sector, zouden we in staat moeten zijn het tij te keren en ruimte te creëren voor meer diversiteit.
Geen aandacht tijdens congressen, geen ‘voortrekker’ die zich hard maakt voor het stimuleren van meer topvrouwen, jongeren en ‘minderheden’ bij non-profits, en als we bij alle sectorevents rondkijken, dan zien we heel veel blanke, babyboomende mannen. Zelfs bij het opstellen van de ‘Agenda Filantropie 2010’ – toch in het leven geroepen om aan enkele branchebrede thema’s gecoördineerd meer aandacht te besteden en hierop zichtbare vooruitgang te boeken - is het issue van diversiteit feitelijk over het hoofd gezien.
Met het themanummer over “Topvrouwen in de filantropie: vrouwen komen van Venus, filantropie van Mars” in de komende FM is een fraaie opmaat gecreeerd voor een sectorbrede discussie over diversiteit. Dit laatste dus breder te zien dan alleen het gender-issue: ik zou graag ook willen kijken naar bijvoorbeeld meer jongeren en allochtonen op belangrijke posities. Niet leeftijd maar ‘talent’ als uitgangspunt voor leiderschap in de sector. “Leiderschap” is derhalve een onderwerp dat direct samenhangt met “Diversiteit”: het gaat in de filantropie (zoals in zoveel andere sectoren) immers ook om opvolging van het huidige bestuursestablishment en om continuïteit van het filantropische werk.
“Diversiteit” slaat niet alleen op HRM-gerelateerde onderwerpen, maar ook op filantropisch werk zelf: niet alleen bij het fondsenwervingsbeleid (goede doelen en hybride instellingen), maar ook bij het bestedingsbeleid (goede doelen en vermogensfondsen) zou er meer aandacht moeten komen voor voldoende spreiding en bereik over diverse groepen. Bij ontwikkelingssamenwerking speelt dat onderwerp wel al langer (Gender and Minority-issues), maar in sectoren als cultuur en natuurbescherming is er veel minder nadruk op bereik van bijvoorbeeld allochtonen.
Juist in een zo maatschappelijk geëngageerde omgeving als de filantropische sector, zouden we in staat moeten zijn het tij te keren en ruimte te creëren voor meer diversiteit.
Waar zijn de fondsenwervers nieuwe stijl?
Lange tijd vormden donateurs voor veel goede doelen een anonieme en vervangbare bron van inkomsten. Maar de rollen zijn snel aan het veranderen, de kaarten zijn opnieuw geschud. Veel (grote) donateurs beschouwen hun charitatieve activiteiten als een weg naar zelfontplooiing en ze zijn vooral op zoek naar impact voor zichzelf en de uiteindelijke begunstigden.
De NGO’s worden daarbij steeds vaker gezien als tussenpersonen, die alleen worden betrokken als ze een onmisbare meerwaarde leveren in de keten.
Binnen dat veranderende krachtenveld krijgt ook de rol van de fondsenwervers een andere betekenis. Steeds meer moeten ze kunnen bouwen op hun sociale vaardigheden, op het vermogen om ‘echte gesprekken' te voeren met de donateurs. We moeten ons continue afvragen, 'Wat kan ik toevoegen aan het leven van deze donateur?'. Empathie met potentiële donateurs en het vermogen om relaties op te bouwen en te inspireren worden de belangrijkste vaardigheden van een succesvolle fondsenwerver. De kennis van technieken blijft belangrijk, maar is echt niet meer voldoende.
Helaas zie ik nog veel te veel fondsenwervers die hun functie beperken tot het ontwikkelen van wervingsprogramma's, waarbij ze miljoenen mailings en honderdduizenden telefoontjes afvuren op hun donateurs. Op zich kan dat best verstandig en rendabel zijn, maar je komt er echt niet mee weg als je daarnaast niet ook een-op-een relaties aan het opbouwen bent. Ik weet ook wel: het is voor sommigen wat eng om persoonlijk om geld te vragen, maar als je daar echt fundamentele problemen mee hebt, vraag ik me af....waarom ben je dan fondsenwerver geworden?
Kortom, ik vind dat we als beroepsgroep veel sneller de 'move' moeten gaan maken van het anoniem om geld vragen naar het aangaan van echte relaties. Als we dat niet doen, maken we onszelf overbodig.
De NGO’s worden daarbij steeds vaker gezien als tussenpersonen, die alleen worden betrokken als ze een onmisbare meerwaarde leveren in de keten.
Binnen dat veranderende krachtenveld krijgt ook de rol van de fondsenwervers een andere betekenis. Steeds meer moeten ze kunnen bouwen op hun sociale vaardigheden, op het vermogen om ‘echte gesprekken' te voeren met de donateurs. We moeten ons continue afvragen, 'Wat kan ik toevoegen aan het leven van deze donateur?'. Empathie met potentiële donateurs en het vermogen om relaties op te bouwen en te inspireren worden de belangrijkste vaardigheden van een succesvolle fondsenwerver. De kennis van technieken blijft belangrijk, maar is echt niet meer voldoende.
Helaas zie ik nog veel te veel fondsenwervers die hun functie beperken tot het ontwikkelen van wervingsprogramma's, waarbij ze miljoenen mailings en honderdduizenden telefoontjes afvuren op hun donateurs. Op zich kan dat best verstandig en rendabel zijn, maar je komt er echt niet mee weg als je daarnaast niet ook een-op-een relaties aan het opbouwen bent. Ik weet ook wel: het is voor sommigen wat eng om persoonlijk om geld te vragen, maar als je daar echt fundamentele problemen mee hebt, vraag ik me af....waarom ben je dan fondsenwerver geworden?
Kortom, ik vind dat we als beroepsgroep veel sneller de 'move' moeten gaan maken van het anoniem om geld vragen naar het aangaan van echte relaties. Als we dat niet doen, maken we onszelf overbodig.
Abonneren op:
Posts (Atom)